Op donderdagavond 4 januari 1906 begon voor de Belgische nationale voetbalploeg een avontuur dat zijn gelijke niet kende. Voor het eerst trok ons nationale elftal het Kanaal over, op weg naar Engeland. Het startschot van die historische reis klonk niet in een stadion, maar in het Noordstation van Brussel. Elf spelers, vergezeld door twee bondsafgevaardigden, stapten er op de trein richting Antwerpen. Daar wachtte de boot naar Harwich. De kortere overtocht Oostende–Dover werd links gelaten, simpelweg omdat de route via Antwerpen een stuk goedkoper uitviel.
![]() |
| Krantenartikel uit Het Handelsblad van 5 januari 1906 |
Rond acht uur ’s avonds werd het anker gelicht. Terwijl het schip nog rustig over de Schelde gleed, schoven de spelers aan voor een stevig avondmaal. Niemand kon toen vermoeden dat die maaltijd geen lang leven beschoren was. Debutant Hector Goetinck van FC Brugge beschreef de overtocht later kleurrijk in zijn memoires Voetbalanekdoten. Toen het schip het zeegat naderde, maakten acht Brusselaars, drie Bruggelingen en twee comitéleden zich klaar om hun kooien op te zoeken. Tot aan Vlissingen verliep alles nog probleemloos; daar nam de boot een loods aan boord.
| de drie Bruggelingen Hector Goetinck, Charles Cambier en Robert Deveen © Stadsarchief Brugge |
Goetinck, die zich een man van de zee waande, stelde Charles Cambier gerust. “Ga jij maar onderaan liggen,” zei hij, “ik kruip wel boven je. Met die storm zal de zee onstuimig zijn. Als je zeeziek wordt, ben je beneden beter af voor… de klassieke pot.” Nauwelijks enkele minuten later bevond het schip zich op volle zee en werden de mannen heen en weer geslingerd als een kaatsbal. Het avondmaal kwam sneller terug dan gewenst. Ironisch genoeg was Goetinck zelf de eerste die bezweek. Zijn zorgvuldig verteerde souper belandde prompt in de nek van Cambier, wiens krullen net boven de rand van het bed uitstaken. “Zijt gij die zeeman?” klonk het boos. Niet veel later lagen ook de Bruggelingen kreunend en klagend ten prooi aan de zeeziekte.
Om vijf uur ’s ochtends kwamen de vertegenwoordigers van de Belgische kleuren lijkbleek aan in Harwich. Vandaar ging het per trein naar Londen, waar ze nog enkele uren rust hoopten te vinden. Van echt herstel was echter geen sprake: de magen bleven rebelleren. ’s Middags kreeg niemand een hap door de keel, en toch wachtte hen diezelfde dag een ontmoeting met de Corinthians, op dat moment het beste amateurelftal van Engeland. Het werd een harde les. België ging met 12-0 onderuit, al hield doelman Marcel Frey de score met enkele knappe reddingen nog enigszins binnen de perken.
Toch keek Hector Goetinck niet met schaamte, maar met leergierigheid terug op die wedstrijd. Hij raakte naar eigen zeggen amper vijf keer de bal, maar zag iets wat hem zijn hele carrière zou bijblijven. De Engelse linksbuiten passeerde rechtsachter Andrieu telkens met een kinderlijk eenvoudige beweging. “Zodra onze back naar hem toestapte,” schreef Goetinck, “tikte hij de bal voorbij hem en draaide erlangs met een lichte schijnbeweging.” Dat simpele voorbijsnellen werd een handelsmerk van Goetinck zelf. Niet voor niets kreeg ‘de Brugse Gazelle’ die bijnaam: snelheid had hij in overvloed.
Met een koffer vol tegendoelpunten keerden de Rode Duivels huiswaarts, trots waren ze allerminst. Maar volgens Goetinck wist zijn clubgenoot Robert Deveen het verhaal in Brugge steevast zo te brengen dat het alsnog op een eervolle nederlaag leek. In het café van Charles Cambier, met een grote pot bruin bier voor zich, deed Deveen zijn relaas voor een twintigtal luisteraars met open mond. Hij vertelde hoe de Engelsen met de bal goochelden, hoe de midvoor de bal tegen de winkelhaak joeg met zo’n kracht dat er vonken vanaf sprongen, want lat en paal waren volgens hem met ijzeren platen verstevigd. En dat ene schot, was zo hard dat de bal de vorm van een ei van kreeg. “Berten kon liegen dat hij het zelf geloofde,” besloot Goetinck droogjes.
In 1923 zou Hector Goetinck nog één keer tegen Engeland aantreden, ditmaal tegen profspelers. Op 1 november, bij de inhuldiging van het Antwerpse stadion, eindigde de wedstrijd op 2-2. In een tijdperk waarin er amper twee of drie interlands per jaar werden gespeeld en Brusselaars vaak een streepje voor hadden, kwam Goetinck toch aan zeventien caps voor de nationale ploeg, en dat ondanks de onderbreking door de Eerste Wereldoorlog.
Wie nog meer van dit soort anekdoten wil ontdekken over Hector Goetinck en de prille jaren van onze nationale sport nummer één, vindt ze terug in het prachtige boek 'Het bewogen levensverhaal van Hector Goetinck', geschreven door Raf Willems en Stephan Verfaillie, de achterkleinzoon van ‘Torten’ Goetinck.
.png)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten