vrijdag 14 augustus 2026

29 augustus 1926
100 jaar voetbalgeschiedenis:
De iconische hoofdtribune van Union Saint-Gilloise

       

Op 29 augustus 1926 werd de nieuwe hoofdtribune van Union Saint-Gilloise officieel ingehuldigd. Honderd jaar later staat ze nog altijd in het Dudenpark. Een monument dat niet alleen naar de geschiedenis kijkt, maar er nog elke dag deel van uitmaakt. 

© Nico Dewaele

Er zijn voetbalstadions waar je naar binnen gaat om een wedstrijd te bekijken. En er zijn stadions waar je, nog voor de aftrap, even blijft stilstaan om naar het gebouw zelf te kijken. Het Joseph Marienstadion van Union Saint-Gilloise behoort tot die tweede categorie. De imposante hoofdtribune, met haar karakteristieke gevel, glas-in-loodramen en sculpturen, is één van de meest bijzondere overblijfselen uit de gouden periode van het Belgische voetbal. Op 29 augustus 2026 is het precies honderd jaar geleden dat deze tribune officieel werd ingehuldigd. Honderd jaar, een eeuw waarin het voetbal volledig veranderde, maar waarin deze tribune bleef staan. 

Van La Butte naar een monument 

Het verhaal begint eigenlijk al in 1919. Union Saint-Gilloise, op dat moment één van de absolute grootmachten van het Belgische voetbal, had een nieuwe thuis gevonden in het Dudenpark in Vorst. Op 14 september 1919 werd het stadion officieel in gebruik genomen. Het kreeg de naam Stade de la Butte, naar de heuvelachtige omgeving waarin het werd aangelegd. De officiële opening was meteen een gebeurtenis van formaat: het grote Milan FC, het latere AC Milan, kwam naar Brussel voor een galawedstrijd tegen Union. De thuisploeg won met 3-2. 

La Butte bij de opening in 1919
Foto: Le Patriot Illustré (21 sept. 1919)

Een jaar later kreeg het stadion opnieuw een historische rol. Tijdens de Olympische Spelen van 1920 werden er drie wedstrijden van het voetbaltoernooi gespeeld. Ook de eerste officiële wedstrijd van de Spaanse nationale ploeg vond hier plaats. Het Dudenpark was daarmee al vroeg een belangrijke plaats op de Belgische en internationale voetbalkaart. Maar het stadion dat we vandaag kennen, moest nog worden gebouwd. 

Een tribune die er bijna nooit kwam 

Begin jaren twintig kwam de toekomst van Union in het Dudenpark plots in gevaar. De gemeente Vorst wilde op de plaats van het stadion een nieuw gemeentehuis bouwen. Voor Union dreigde een onteigening en het verdwijnen van zijn thuishaven. Er kwam protest van supporters en inwoners. Uiteindelijk mengde ook de Belgische voetbalbond zich in de discussie. De plannen werden afgevoerd en Union kon in het Dudenpark blijven. Achteraf bekeken was dat een bijzonder belangrijk moment. Want zonder die strijd zou de monumentale tribune die we vandaag kennen er nooit hebben gestaan. 

Joseph Marien heeft grootse plannen 

De man die de toekomst van Union vervolgens mee vormgaf, was Joseph Marien. De steenrijke voorzitter wilde  zijn club een accommodatie geven die bij haar ambities paste. Het stadion werd daarom grondig uitgebreid en vernieuwd. De nieuwe installaties werden ontworpen door architect Albert Callewaert. Het meest opvallende onderdeel was uiteraard de nieuwe hoofdtribune. De gevel kreeg een lengte van ongeveer 110 meter en werd uitgevoerd in een combinatie van rode en witte baksteen. Onder de tribune kwamen grote glas-in-loodramen, waarin onder meer het clublogo werd verwerkt. Maar Callewaert en Marien wilden duidelijk meer dan alleen een praktische tribune. De gevel kreeg een uitgesproken architecturale uitstraling. 

foto: website Arichviris.be

Voetbal en atletiek in steen gebeiteld 

Een bijzonder onderdeel van de tribune zijn de decoratieve panelen in de gevel. De Brusselse beeldhouwer Oscar De Clerck ontwierp zeven panelen met verwijzingen naar voetbal en atletiek. Dat was geen toevallige keuze. Union was in die periode immers niet alleen een succesvolle voetbalclub. Ook de atletiekafdeling speelde een belangrijke rol binnen de vereniging. De twee sporten werden daarom letterlijk onderdeel van de architectuur van het stadion. Wie vandaag naar de gevel kijkt, ziet dus niet zomaar decoratie. De beelden vertellen iets over de sportcultuur van Union in de jaren twintig. Dat maakt de tribune zo bijzonder: het gebouw vertelt zelf het verhaal van de club. 

© Nico Dewaele

110 dagen 

De snelheid waarmee de nieuwe tribune werd gerealiseerd, was voor die tijd indrukwekkend. In de verslaggeving rond de inhuldiging wordt vermeld dat de werkzaamheden in ongeveer 110 dagen werden uitgevoerd. De tribune bood plaats aan ongeveer 4.500 toeschouwers, met zo'n 3.000 zitplaatsen en 1.500 staanplaatsen. Maar het bouwwerk was veel meer dan een verzameling zitplaatsen. Onder de tribune werden verschillende ruimtes ingericht: kleedkamers, een lokaal voor de scheidsrechters, een grote vergaderzaal voor de clubleden, een secretariaat en een café. Ook waren er verschillende doorgangen en voorzieningen die de spelers rechtstreeks naar het veld brachten. Voor een voetbalstadion uit 1926 was dat bijzonder vooruitstrevend. 

De bestuurskamer ademt ook nu nog steeds de sfeer van de Jaren '20 uit.
© Nico Dewaele

29 augustus 1926 

En dan was het zover. Zondag 29 augustus 1926. De nieuwe installaties van Union Saint-Gilloise werden officieel ingehuldigd. De plechtigheid kreeg meteen een koninklijk tintje. Prins Karel was aanwezig en werd door de Union-bestuurders en andere prominenten ontvangen. Het werd geen gewone voetbalnamiddag, maar een volledige sportmanifestatie. Op het programma stonden verschillende atletiekwedstrijden, waaronder loopnummers, estafettes en speerwerpen. Daarna volgde het voetbalduel tussen Union Saint-Gilloise en Dordrechtse F.C. De historische krant beschrijft hoe de prins in de eretribune werd ontvangen en hoe duizenden toeschouwers de nieuwe accommodatie kwamen bewonderen. De nieuwe tribune moest duidelijk indruk maken. En dat deed ze.

links: Omringd door de bestuurders van Union en de gemeentelijke vertegenwoordigers van Sint-Gillis beantwoordt de prins het applaus waarmee hij werd begroet bij zijn aankomst in de nieuwe accommodatie van de club uit Sint-Gillis, onder de bomen van het Dudenpark.

rechts: Een wedstrijd tussen Union Saint-Gilloise en de Dordrecht Football Club (Nederland) vormde het hoogtepunt van de inhuldiging van de nieuwe tribunes. Prins Karel had zijn marine-uniform ingeruild voor dat van onderluitenant bij de gidsen en kreeg de eer om de aftrap te geven. De Nederlanders wonnen de wedstrijd met.

Foto's: Le Patriot Illustré (5 sept. 1926)

Een stadion voor tienduizenden 

De hoofdtribune was slechts één onderdeel van de enorme uitbreiding. Rond het veld lagen grote staanplaatsen. De totale capaciteit van het stadion werd in die periode opgevoerd tot ongeveer 35.000 toeschouwers. Dat cijfer zegt veel over de plaats die Union toen innam in het Belgische voetbal. Een wedstrijd in het Dudenpark kon een enorme massa op de been brengen. Het stadion was ontworpen voor een tijd waarin tienduizenden supporters naar een voetbalwedstrijd kwamen en waarin staanplaatsen rond het veld nog de norm waren. De hoofdtribune vormde het statige middelpunt van dat geheel. Een indrukwekkend bouwwerk dat niet alleen plaats bood aan supporters, maar ook het prestige van Union moest uitstralen.

Het stadion in de jaren '30 van vorige eeuw
Foto: Miroir des Sports

De naam Joseph Marien 

De tribune werd gebouwd onder impuls van voorzitter Joseph Marien. Ironisch genoeg zou hij zelf niet lang genoeg leven om de grootste successen mee te maken die zijn stadion later zou kennen. Op 19 februari 1933 overleed Marien na een hartaanval op de dag van de derby tegen Daring. Later dat jaar werd het stadion naar hem genoemd. Vanaf dan werd Stade de la Butte het Joseph Marienstadion. De naam bleef. En de tribune bleef eveneens staan.

Joseph Mariën was niet alleen voorzitter van Union, maar ook een gedrevenlangeafstandsloper en veldloper. In 1925 werd hij Belgisch kampioen op de 10.000 meter en in 1928 nam hij deel aan de Olympische Spelen in Amsterdam.
foto: Collectie Nico Dewaele

Een stille getuige van de geschiedenis 

Dat is misschien wel het mooiste aan deze plek. De tribune heeft sindsdien een eeuw voetbalgeschiedenis meegemaakt. Ze zag de grote successen van Union. Ze zag de legendarische periode van Union '60, toen de club tussen 1933 en 1935 zestig wedstrijden op rij ongeslagen bleef. Ze zag generaties spelers en supporters komen en gaan. Ze zag het Belgische voetbal veranderen van een amateuristische sport tot een professionele miljoenenbusiness. En toch staat ze er nog altijd.

Beschermd erfgoed 

De bijzondere historische waarde van de hoofdtribune werd uiteindelijk ook officieel erkend. In 2010 werd het Joseph Marienstadion als monument beschermd. Dat betekent dat niet zomaar alles kan worden verbouwd, verwijderd of aangepast. De historische structuur en de architecturale elementen moeten zoveel mogelijk behouden blijven. En dat levert soms merkwaardige situaties op. Dat bleek nog maar vorig jaar, toen Union in de kleedkamers een ijsbad wilde installeren. Een ijsbad is natuurlijk een moderne voorziening die perfect past binnen de hedendaagse topsport, maar het gebouw zelf trekt een duidelijke grens. Om het bad op de gewenste plaats te krijgen, moest het houten beslag van de deur naar de ruimte worden verwijderd. Dat was noodzakelijk om het bad binnen te kunnen brengen, maar tegelijk moest ervoor worden gezorgd dat de historische elementen van het gebouw niet verloren gingen. Het is misschien maar een klein detail. Maar het vertelt eigenlijk een prachtig verhaal. Een hypermodern ijsbad van de 21ste eeuw dat rekening moet houden met een historische deur uit 1926. Precies daarin komt de bijzondere situatie van het Joseph Marienstadion mooi tot uiting. Hier moeten verleden en heden letterlijk met elkaar samenwerken. De spelers van vandaag trainen er met moderne technologie en moderne voorzieningen, terwijl de muren, deuren en tribunes hen herinneren aan een tijd waarin het voetbal er totaal anders uitzag.

© Nico Dewaele

Een monument dat nog altijd leeft 

Veel historische voetbalstadions bestaan vandaag alleen nog op foto's. Andere werden volledig verbouwd, zodat van de oorspronkelijke accommodatie nauwelijks iets overblijft. In het Joseph Marienstadion is dat anders. Hier staat de hoofdtribune nog altijd op dezelfde plaats. Nog altijd langs hetzelfde veld. Nog altijd onderdeel van een voetbalstadion. Dat maakt haar uniek. Het is niet zomaar een monument waar je naar kunt kijken. Het is een monument waarin nog altijd voetbal wordt gespeeld. Voor mij is dit misschien wel de mooiste manier waarop een gebouw zijn geschiedenis kan bewaren.

© Nico Dewaele

Honderd jaar 

Op 29 augustus 2026 is het precies honderd jaar geleden dat Prins Karel in het Dudenpark aanwezig was voor de officiële inhuldiging van de nieuwe installaties van Union Saint-Gilloise. Wat toen een splinternieuwe, moderne tribune was, is vandaag een beschermd stukje Belgisch voetbalerfgoed. Een eeuw later staan de stenen van de gevel nog steeds op elkaar. De glas-in-loodramen herinneren nog altijd aan Union. De sculpturen van Oscar De Clerck vertellen nog altijd hun verhaal over voetbal en atletiek. En boven het veld staat nog steeds de tribune die in 1926 zoveel indruk maakte. Honderd jaar oud. Honderd jaar voetbal. En nog altijd geen museumstuk. Misschien is dat wel het mooiste aan de historische hoofdtribune van Union Saint-Gilloise. Ze bewaart het verleden, maar ze leeft nog altijd in het heden. En zolang er op het veld onder die honderdjarige tribune nog gevoetbald wordt, blijft dit bijzondere stukje Belgische voetbalgeschiedenis ook echt onderdeel van het voetbal zelf.

© Nico Dewaele

De charme van toen, de noden van vandaag 

Hoe graag supporters en erfgoedliefhebbers de historische hoofdtribune ook zien, het Joseph Marienstadion heeft één groot probleem: het is niet meer aangepast aan de eisen van het moderne profvoetbal. Dat wordt misschien nergens duidelijker dan in de kleine perszaal onder de tribune.

© Nico Dewaele

 Waar journalisten vandaag met laptops proberen verslag uit te brengen van wedstrijden, zitten ze letterlijk in een ruimte die nauwelijks nog te vergelijken is met de moderne persfaciliteiten van een hedendaags profstadion. Ook voor supporters is de infrastructuur beperkt. Volgens Union zijn er te weinig ruimtes voor pers- en vip-ontvangst en ontbreken er geschikte verzamelruimtes voor veiligheids- en medisch personeel op wedstrijddagen. En het probleem gaat verder dan alleen de kleine ruimtes. De historische hoofdtribune is beschermd en daardoor kan de gevel niet zomaar worden aangepast. Ook het omliggende Dudenpark is beschermd, waardoor een uitbreiding van het stadion evenmin vanzelfsprekend is. Een studie van perspective.brussels concludeerde bovendien dat een verbouwing of uitbreiding van het huidige stadion niet haalbaar is. Union kijkt daarom naar de bouw van een nieuw, modern en ecologisch stadion in Vorst met bijna 16.000 plaatsen, dat moet voldoen aan de Belgische en Europese veiligheidsnormen. De tribune die in 1926 een toonbeeld van moderniteit was, is vandaag zelf een monument geworden. Precies daarom moeten verleden en toekomst naast elkaar blijven bestaan. Het Joseph Marienstadion verdient het om bewaard te blijven als uniek stukje voetbalerfgoed. Maar Union heeft ook een stadion nodig waarin het voetbal van de 21ste eeuw kan worden gespeeld. Misschien vat de piepkleine perszaal dat dilemma wel perfect samen: veel geschiedenis, veel karakter, maar simpelweg te weinig ruimte voor de toekomst.

De steile weg terug uit het perszaaltje
© Nico Dewaele

1926 – 2026 

Wanneer je foto's van de tribune uit 1926 naast foto's van vandaag legt, valt vooral op hoe sterk haar oorspronkelijke karakter bewaard is gebleven. 

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele








zaterdag 3 januari 2026

zaterdag 6 januari 1906
Corinthians - België 12-0
De Nationale ploeg steekt voor het eerst het kanaal over

       

Op donderdagavond 4 januari 1906 begon voor de Belgische nationale voetbalploeg een avontuur dat zijn gelijke niet kende. Voor het eerst trok ons nationale elftal het Kanaal over, op weg naar Engeland. Het startschot van die historische reis klonk niet in een stadion, maar in het Noordstation van Brussel. Elf spelers, vergezeld door twee bondsafgevaardigden, stapten er op de trein richting Antwerpen. Daar wachtte de boot naar Harwich. De kortere overtocht Oostende–Dover werd links gelaten, simpelweg omdat de route via Antwerpen een stuk goedkoper uitviel. 

Krantenartikel uit Het Handelsblad van 5 januari 1906

Rond acht uur ’s avonds werd het anker gelicht. Terwijl het schip nog rustig over de Schelde gleed, schoven de spelers aan voor een stevig avondmaal. Niemand kon toen vermoeden dat die maaltijd geen lang leven beschoren was. Debutant Hector Goetinck van FC Brugge beschreef de overtocht later kleurrijk in zijn memoires Voetbalanekdoten. Toen het schip het zeegat naderde, maakten acht Brusselaars, drie Bruggelingen en twee comitéleden zich klaar om hun kooien op te zoeken. Tot aan Vlissingen verliep alles nog probleemloos; daar nam de boot een loods aan boord. 

de drie Bruggelingen Hector Goetinck, Charles Cambier en Robert Deveen
© Stadsarchief Brugge

Goetinck, die zich een man van de zee waande, stelde Charles Cambier gerust. “Ga jij maar onderaan liggen,” zei hij, “ik kruip wel boven je. Met die storm zal de zee onstuimig zijn. Als je zeeziek wordt, ben je beneden beter af voor… de klassieke pot.” Nauwelijks enkele minuten later bevond het schip zich op volle zee en werden de mannen heen en weer geslingerd als een kaatsbal. Het avondmaal kwam sneller terug dan gewenst. Ironisch genoeg was Goetinck zelf de eerste die bezweek. Zijn zorgvuldig verteerde souper belandde prompt in de nek van Cambier, wiens krullen net boven de rand van het bed uitstaken. “Zijt gij die zeeman?” klonk het boos. Niet veel later lagen ook de Bruggelingen kreunend en klagend ten prooi aan de zeeziekte. 

Om vijf uur ’s ochtends kwamen de vertegenwoordigers van de Belgische kleuren lijkbleek aan in Harwich. Vandaar ging het per trein naar Londen, waar ze nog enkele uren rust hoopten te vinden. Van echt herstel was echter geen sprake: de magen bleven rebelleren. ’s Middags kreeg niemand een hap door de keel, en toch wachtte hen diezelfde dag een ontmoeting met de Corinthians, op dat moment het beste amateurelftal van Engeland. Het werd een harde les. België ging met 12-0 onderuit, al hield doelman Marcel Frey de score met enkele knappe reddingen nog enigszins binnen de perken. 

Toch keek Hector Goetinck niet met schaamte, maar met leergierigheid terug op die wedstrijd. Hij raakte naar eigen zeggen amper vijf keer de bal, maar zag iets wat hem zijn hele carrière zou bijblijven. De Engelse linksbuiten passeerde rechtsachter Andrieu telkens met een kinderlijk eenvoudige beweging. “Zodra onze back naar hem toestapte,” schreef Goetinck, “tikte hij de bal voorbij hem en draaide erlangs met een lichte schijnbeweging.” Dat simpele voorbijsnellen werd een handelsmerk van Goetinck zelf. Niet voor niets kreeg ‘de Brugse Gazelle’ die bijnaam: snelheid had hij in overvloed. 

Met een koffer vol tegendoelpunten keerden de Rode Duivels huiswaarts, trots waren ze allerminst. Maar volgens Goetinck wist zijn clubgenoot Robert Deveen het verhaal in Brugge steevast zo te brengen dat het alsnog op een eervolle nederlaag leek. In het café van Charles Cambier, met een grote pot bruin bier voor zich, deed Deveen zijn relaas voor een twintigtal luisteraars met open mond. Hij vertelde hoe de Engelsen met de bal goochelden, hoe de midvoor de bal tegen de winkelhaak joeg met zo’n kracht dat er vonken vanaf sprongen, want lat en paal waren volgens hem met ijzeren platen verstevigd. En dat ene schot, was zo hard dat de bal de vorm van een ei van kreeg. “Berten kon liegen dat hij het zelf geloofde,” besloot Goetinck droogjes. 

In 1923 zou Hector Goetinck nog één keer tegen Engeland aantreden, ditmaal tegen profspelers. Op 1 november, bij de inhuldiging van het Antwerpse stadion, eindigde de wedstrijd op 2-2. In een tijdperk waarin er amper twee of drie interlands per jaar werden gespeeld en Brusselaars vaak een streepje voor hadden, kwam Goetinck toch aan zeventien caps voor de nationale ploeg, en dat ondanks de onderbreking door de Eerste Wereldoorlog. 

Wie nog meer van dit soort anekdoten wil ontdekken over Hector Goetinck en de prille jaren van onze nationale sport nummer één, vindt ze terug in het prachtige boek 'Het bewogen levensverhaal van Hector Goetinck', geschreven door Raf Willems en Stephan Verfaillie, de achterkleinzoon van ‘Torten’ Goetinck.


dinsdag 14 oktober 2025

11 november 1948: Opening Drie Lindenstadion in Watermaal- Bosvoorde


het Drie Lindenstadion aan de Léopold Wienerlaan 60 in Watermaal-Bosvoorde - © Nico Dewaele
    Toen na de Tweede Wereldoorlog het Stade du Vivier d’Oie – het charmante maar verouderde stadion van Racing Club de Bruxelles in Ukkel – zijn beste tijd had gehad, droomde men van iets groots. In Watermaal-Bosvoorde begon de bouw van een nieuw voetbalpaleis, bedoeld voor maar liefst 40.000 toeschouwers. Geen luxueuze zitjes of moderne dakconstructies: het werd een monumentale betonnen kuip, met staanplaatsen rond drie zijden van het veld en één statige hoofdtribune met zitplaatsen langs de vierde zijde.



© Nico Dewaele

    Met dat groots opzet dacht men dat Racing, trotse drager van stamnummer 6, voor eeuwig aan de top zou blijven. Op 11 november 1948 werd het stadion met veel luister ingehuldigd tijdens een vriendschappelijke wedstrijd tegen AC Torino, toen beter bekend als Il Grande Torino — destijds misschien wel het beste elftal van Europa. Zo’n 40.000 toeschouwers vulden de betonnen rangen en zagen Torino overtuigend met 0–3 winnen. Het zou de enige keer blijven dat het stadion werkelijk vol zat. 
Nog geen jaar later, in mei 1949, kwam het voltallige Torino-team om bij de vliegtuigramp van Superga. Geen enkele speler overleefde het – in totaal lieten 31 mensen het leven.

    Maar Racing zelf kende inmiddels ook moeilijke tijden. De club was haar kampioensglorie kwijt en het publiek bleef weg. In de jaren ’50 zakte Racing weg tot in de derde klasse. Vanaf 1954 kon men de kosten van het stadion niet langer dragen, en verhuisde de ploeg noodgedwongen naar het Heizelstadion (nu het Koning Boudewijnstadion). Enkele jaren later, in 1963, fuseerde Racing met White Star AC uit Elsene. Toch bleef het stadion geen voetballoze plek: vandaag speelt RRC Boitsfort nog steeds op deze historische grond.

    Wanneer we in 2020 een bezoekje brachten aan het oude stadion hadden we vooraf al eens gekeken op Google Earth waar we het voetbalveld juist zouden kunnen vinden. Hoewel we de locatie min of meer kenden reden we toch een kwartiertje rond voor we prijs hadden. Het stadion ligt namelijk in een woonwijk perfect verscholen achter bomen, struiken en een aarden wal en daarenboven ligt ook nog eens in een soort kuil. Een unieke voetballocatie die in 2010 gelukkig beschermd monument werd.
    Hieronder nog enkele foto's van het 'vergeten' stadion waarin je met een klein beetje verbeelding nog steeds de echo’s van het verleden hoort klinken – van het geroep van duizenden toeschouwers, tot het gefluit van die ene wedstrijd tegen het legendarische Torino.



© Nico Dewaele


© Nico Dewaele


© Nico Dewaele


© Nico Dewaele


© Nico Dewaele

dinsdag 5 augustus 2025

Royale Union Limbourg (stamnummer 9): Een verhaal van traditie, passie en veerkracht

        Als liefhebber en verzamelaar van voetbalerfgoed vind ik het altijd fascinerend om tijdens een vakantie of uitstapje voetballocaties met een rijke geschiedenis te bezoeken. Tijdens een recent verblijf in de betoverende Hoge Venen trok ik richting het dal van de rivier de Vesder, waar tussen Eupen en Verviers het pittoreske dorp Dolhain ligt, deelgemeente van Limbourg. Mijn doel? Het beroemde Stade Lambert Fourir van Royale Union Limbourg ontdekken, een club met het iconische stamnummer 9.


© Nico Dewaele

© Nico Dewaele


De geboorte van het voetbal in Dolhain

       De voetbalgemeenschap in Dolhain werd aan het einde van de 19e eeuw geboren, toen het Engelse textielkapitaal niet alleen de industrie in de regio vestigde, maar ook het voetbal introduceerde. In 1898 richtte René Joncker, bestuurslid van RC Sportif Verviétois (stamnummer 8), de Dolhain Football Club op. Deze oprichting kwam voort uit een verlangen naar regionale tegenstanders dichter bij huis. Met stamnummer 9, een van de oudste in België, groeide de club al snel uit tot een legende in de Belgische voetbalwereld.

© Nico Dewaele


Het verhaal van de beuk

        Een van de meest kleurrijke hoofdstukken in de geschiedenis van de club is het verhaal van de beuk. Het allereerste voetbalveld van de club had namelijk midden op het speelveld een majestueuze beuk staan. Hoewel aanvankelijk gedoogd door de voetbalbond, bleek dit uiteindelijk onhoudbaar en moest het veld verhuizen. Toch leeft de symboliek van deze boom voort, niet in het minst omdat hij het clublogo sierde — een blijvende herinnering aan de wortels van Royal Dolhain FC.





Terugkeer naar La Bêverie

        Na verschillende verhuizingen keerde de club in 1923 terug naar de buurt La Bêverie (waar het oorspronkelijk speelde), op een terrein dat werd gekocht door een speciaal daarvoor opgerichte coöperatieve. De faciliteiten waren spartaans: een muurtje langs de weg, een metalen omheining, kleedkamers en een kleine douche voor de scheidsrechter. Dat jaar beleefde Dolhain ook zijn glorieuze entree in de Tweede Klasse (toen nog “Bevordering” genoemd), met een knappe vijfde plaats in reeks A. Een van de hoogtepunten was een verrassende 1-0 overwinning tegen SC Anderlechtois — de kampioen van dat seizoen — voor een publiek van maar liefst 2.000 supporters. Na enkele seizoenen in de hogere reeksen zakte Dolhain weer terug naar de lagere divisies.

Knipsel uit Sportwereld van 11 september 1923 over de 1-0 overwinning tegen SC Anderlecht


Fotokaart uit eigen verzameling


Royale Union Limbourg FC

        Na meer dan een eeuw losstaand te hebben gefunctioneerd, fuseerde Royal Dolhain FC in 2014 met FC Union Espagnolle de Dolhain. Zo ontstond Royale Union Limbourg FC, die het prestigieuze stamnummer 9 en het vertrouwde Stade Lambert Fourir behield. De club zet sindsdien de rijke traditie voort in de provinciale reeksen.  

© Nico Dewaele

       
      

Een club met ziel—en een verhaal

        De ziel van deze club schuilt in haar unieke verhaal van doorzettingsvermogen en verbondenheid. Dat werd mij nog maar eens duidelijk toen ik de greenkeeper aansprak die tevens de voorzitter van de Club bleek! Le President, Marc Schyns, vertelde over de zware watersnood in juli 2021 die het hele dal van de Vesder trof. Het water kwam tot wel drie meter boven het veldniveau, waardoor het voetbalterrein en de infrastructuur zwaar beschadigd raakten. De schade was enorm, en het hele terrein moest grondig worden hersteld.

Voorzitter Marc Schyns vlak na zijn dagelijkse ronde met de grasmaaier
© Nico Dewaele

De vernielingen na waterbom in de Vesdervallei (2021)
© Marc Schyns

        Ondanks deze tegenslag is Marc vol vertrouwen over de toekomst van zijn club. Met veel passie en trots vertelde hij dat Union Limbourg in het seizoen 2024/2025 kampioen werd in de vierde provinciale. Een krachtig verhaal van vallen, opstaan en nooit opgeven — precies wat lokaal voetbal zo bijzonder maakt.

© Nico Dewaele

        Dit verhaal langs de oever van de Vesder is er een van erfgoed en enthousiasme, waar elke grasspriet, elke boom en elke toeschouwer de geschiedenis en dromen van generaties weerspiegelt. Royal Dolhain FC en Union Limbourg bewijzen dat voetbal veel meer is dan een spel; het is een verbondenheid die standhoudt, zelfs wanneer het water overstroomt.







Volgens de huidige voorzitter dateert de overkapping
van de tribune uit 1903. Jammer genoeg wil de gemeente deze
niet laten beschermen als monument.




© Nico Dewaele





29 augustus 1926 100 jaar voetbalgeschiedenis: De iconische hoofdtribune van Union Saint-Gilloise          ...