vrijdag 23 oktober 2026

29 oktober 1911
Een kapotte koets, vliegende stenen en een oude voetbalvete
Cercle Sportif Brugeois - Union Saint-Gilloise
       

Op het veld van Cercle Sportif Brugeois (Cercle Brugge) lijkt er die namiddag aanvankelijk weinig aan de hand. Cercle ontvangt Union Saint-Gilloise in een competitiewedstrijd die eindigt op 1-1. De wedstrijd zelf verloopt grotendeels rustig. Scheidsrechter Theuerkauff houdt de touwtjes stevig in handen en ernstige incidenten blijven uit. Maar zodra het laatste fluitsignaal klinkt, verandert de sfeer volledig. Wat daarna gebeurt, groeit uit tot een van de meest beruchte incidenten uit de vroege geschiedenis van het Belgische voetbal.  

Een wedstrijdbeeld zoals het er ongeveer moet hebben uitgezien in 1911

Een bezoek met een voorgeschiedenis

De komst van Union naar Brugge was allesbehalve een gewone verplaatsing. De herinnering aan wat zich anderhalf jaar eerder had afgespeeld, was nog springlevend. Op 7 mei 1910 stonden Union Saint-Gilloise en Football-Club Brugeois (Club Brugge) tegenover elkaar tijdens het 'Tournoi de l'Exposition' in Brussel. Tijdens die wedstrijd raakte Charles Cambier, de Brugse aanvoerder, zwaar geblesseerd na een botsing met Guillaume 'Lommeke' Vanden Eynde van Union. 

Cambier liep een dubbele beenbreuk op. Toch is het belangrijk om Vanden Eynde niet af te schilderen als iemand die bewust zijn tegenstander zwaar wilde verwonden. De botsing met Charles Cambier werd niet beschouwd als een vooraf beraamde aanslag. Het ging om een harde actie tijdens een wedstrijd, waarbij Cambier ongelukkig ten val kwam en de dubbele breuk opliep. Voor het Brugse publiek maakte dat onderscheid weinig verschil. Cambier was hun aanvoerder en een van de bekendste spelers van de Football-Club Brugeois. Zijn zware blessure zorgde voor enorme verontwaardiging en Vanden Eynde werd in Brugge voortaan met grote vijandigheid bekeken.

Charles Cambier
foto: Onze Kampioenen (nov. 1911)

De zaak kreeg bovendien een juridisch en sportief staartje. Hoewel er geen sprake was van een bewuste poging om Cambier te verwonden, vond de bond dat de manier waarop Vanden Eynde had gespeeld te gevaarlijk en ontoelaatbaar was. De gevolgen waren uitzonderlijk zwaar: hij werd aanvankelijk levenslang uitgesloten van de voetbalvelden, wat later terug gebracht werd naar één jaar. 

Beide speler samen bij de Belgische nationale ploeg in 1906
foto: Guldenboek van de KBVB

En nu, op 29 oktober 1911, stond diezelfde Vanden Eynde opnieuw in Brugge. Het was zijn eerste verschijning in de stad sinds het ongeval met Cambier. Of zijn aanwezigheid de gemoederen werkelijk opnieuw verhit had, valt niet met zekerheid te zeggen. Maar de omstandigheden waren in ieder geval explosief.

De Unionisten komen voorbereid naar Brugge 

De Brusselaars hadden blijkbaar rekening gehouden met een moeilijke ontvangst. Ze waren met een zogenaamde char-à-bancs naar Brugge gekomen: een grote, gesloten huifkar die door twee paarden werd getrokken, ook wel paardentram genoemd. 

Na de wedstrijd zouden ze die koets echter nog hard nodig hebben. Supporters van zowel Cercle als Club Brugge waren massaal aanwezig. Volgens een verslag waren er duizenden supporters, die niet bepaald veel sympathie hadden voor de Brusselaars. De spanning tussen beide kampen was voelbaar. 

Op het veld zelf bleef alles nog betrekkelijk rustig. Cercle en Union deelden de punten na een 1-1 gelijkspel. Union kwam na twintig minuten op voorsprong, maar kort na de rust maakte Cercle gelijk. Daarna kregen beide ploegen nog kansen, zonder dat er een winnaar uit de bus kwam. 

Niemand kon toen vermoeden wat er buiten het terrein stond te gebeuren.

Sabotage van de koets 

Tijdens de wedstrijd hadden enkele supporters van (Club) Brugge blijkbaar kans gezien om ongemerkt de dissel van de koets bijna volledig door te zagen. 


Na het laatste fluitsignaal stapten de inderhaast omgeklede spelers van Union haastig in. Ze wilden zo snel mogelijk vertrekken. De koetsier sprong op de bok, gaf de paarden de sporen...

... en toen brak de dissel

 De huifkar werd vrijwel onbestuurbaar en slingerde over de Brugse kasseien. Daarmee werd het voertuig, met de Union-spelers erin, een bijzonder gemakkelijk doelwit. Rondom hen stond een grote menigte. En die menigte was niet bepaald van plan om hen rustig te laten vertrekken.

Een regen van stenen  

Volgens de beschrijvingen die de volgende dag verschenen, werden de ruiten van de koets ingegooid. Stenen vlogen door de gebroken ramen naar binnen. De spelers van Union konden weinig anders doen dan zich op de vloer van het voertuig werpen en hun valiezen voor hun gezicht houden om zich enigszins tegen de projectielen te beschermen. Het beeld moet hallucinant zijn geweest: een met twee paarden getrokken koets die stuurloos over de straat reed, terwijl een woeste menigte erachteraan trok en stenen naar binnen gooide. 

Een plaatselijk verslag had bovendien bijzondere aandacht voor de rol van een groep jonge jongens. Het ging om kinderen van ongeveer acht tot twaalf jaar oud, die zich bij de rel hadden aangesloten. De journalist beschreef hen bepaald niet vriendelijk en vergeleek hen met de jongens die in de zomer langs de Brugse reien schilderijen van straatkunstenaars met modder bekogelden.

De spoorweg als reddingsboei 

De vlucht van Union eindigde gelukkig niet in een tragedie. Na heel wat geworstel bereikte de koets de spoorweg. Daar kwam onverwachte hulp van een bareelwachter. Die sloot de weg af zodra de koets de spoorwegovergang was gepasseerd. 


Het was blijkbaar net genoeg om de achtervolgers op afstand te houden. Uiteindelijk slaagde het gezelschap erin het station te bereiken. 

De spelers waren er zonder ernstige verwondingen vanaf gekomen, maar de tocht was allerminst ongeschonden verlopen. Een ander verslag bevestigt dat de ruiten van het rijtuig waren gesneuveld, maar dat de spelers dankzij het optreden van de Brugse spelers en de rijkswacht ongedeerd bleven.

Jaren later vertelde Emile Hanse, toen speler bij Union, het volgende in het tijdschrift Le Moustique: "Ik weet niet waar de Bruggelingen hun munitie vandaan hadden gehaald, maar met de stenen die we naar ons hoofd kregen, had men een huis kunnen bouwen."

Ook de bondsafgevaardigden waren niet veilig 

De spelers van Union waren overigens niet de enigen die het moesten ontgelden. Een van de slachtoffers was Alfred Verdyck, secretaris en vertegenwoordiger van de voetbalbond. Hij riskeerde het om op een bepaald moment zijn hoofd door een verluchtingsraampje in het dak van de koets te steken. 

Alfred Verdyck was decennialang een invloedrijke figuur bij de Belgische Voetbalbond als secretaris-generaal (foto: unknown)

Twee stenen troffen hem recht in het gezicht. Door de glasscherven liep hij een hoofdwonde op en moest hij zijn verdere reis zonder zijn typische brilletje voortzetten. Het incident was daarmee veel meer geworden dan een uit de hand gelopen supportersruzie. 

De voetbalbond zelf was rechtstreeks getroffen.

Brugge onder druk 

De gebeurtenissen hadden dan ook verstrekkende gevolgen. In afwachting van een onderzoek kregen de clubs aanvankelijk de vrijheid om zelf te beslissen of ze nog naar Brugge wilden afreizen voor competitiewedstrijden. Dat leidde meteen tot praktische problemen. 

Toen de beslissing om opnieuw naar Brugge te reizen pas enkele uren voor de volgende speeldag werd genomen, was het voor Excelsior SC bijvoorbeeld te laat om nog een verplaatsing naar Cercle te organiseren. De ploeg kwam eenvoudigweg niet opdagen. De druk op de voetbalbond nam toe. Bondssecretaris Alfred Verdyck en zijn assistent Alphonse Istace dreigden zelfs met ontslag omdat sancties volgens hen te lang uitbleven. 

Uiteindelijk werd na overleg met het Ministerie van Justitie besloten extra ordediensten in Brugge in te zetten. 

Maar er kwam nog een opmerkelijke maatregel. Zowel Cercle als Club Brugge kregen de verplichting om bij hun thuiswedstrijden gesloten rijtuigen ter beschikking te stellen van bezoekende ploegen. Bovendien moesten ook Brugse bestuurders in die rijtuigen plaatsnemen. 

Een voetbalwedstrijd organiseren was in Brugge blijkbaar even geen kwestie meer van alleen een veld, een bal en twee ploegen.

Ook vandaag kunnen de emoties rond het voetbal soms nog hoog oplopen. De zaag en de dissel van de paardentram zijn dan wel verleden tijd, maar jammer genoeg wordt er nog wel eens een (supporters)bus onder (bengaals) vuur genomen.

't Zand Brugge, november 2025






zaterdag 26 september 2026

27 september 1916
Voetbal achter prikkeldraad:
Belgische krijgsgevangenen in Parchim, 1916

       

Op het eerste gezicht lijkt het een gewone voetbalploegfoto. Een groep mannen poseert ernstig voor een gebouw, sommigen in voetbaltenue, anderen in uniform. Op de achtergrond staan tientallen toeschouwers. Centraal ligt een voetbal. Maar wie beter kijkt, ontdekt een veel bijzonderder verhaal. 

Fotokaart uit eigen collectie

De foto werd gemaakt in september 1916 in het Duitse Parchim, in Mecklenburg-Voorpommeren. Het gaat om Belgische krijgsgevangenen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitsland waren geïnterneerd. De foto is daarmee niet zomaar een voetbalprentje, maar een zeldzaam beeld van hoe sport deel uitmaakte van het leven van Belgische soldaten achter de Duitse prikkeldraad.

Van het slagveld naar Parchim 

Na de Duitse inval van België in augustus 1914 werden grote aantallen Belgische militairen krijgsgevangen gemaakt. Zij werden naar verschillende kampen in Duitsland overgebracht. Eén van die plaatsen was Parchim. 

Volgens de informatie over het kamp kreeg de plaatsvervangende bevelhebber van het krijgsgevangenenkamp op 20 september 1914 toestemming om buiten de stad een groot kamp in te richten. Het begon bescheiden, met een tentenkamp voor ongeveer 400 gevangenen. Al snel groeide Parchim echter uit tot een omvangrijk krijgsgevangenenkamp. 

Op zijn hoogtepunt verbleven er naar schatting 15.000 mensen (onder wie Fransen, Belgen, Russen, Serviërs en Britten). Het kamp kreeg de kenmerken van een kleine gemeenschap, met eigen voorzieningen en activiteiten.

Een kamp met een eigen leven 

Het dagelijkse leven in Parchim werd niet uitsluitend bepaald door wachten en verveling. De gevangenen organiseerden er hun eigen activiteiten. Er werd toneel gespeeld, er kwam een muziekkapel en er was zelfs een koor. Sommige uitvoeringen werden buiten het kamp opgevoerd.

Maar het leven was ook hard. Gevangenen werden ingezet voor zwaar werk, onder meer voor het steken van turf. Officieren werden daarvan vrijgesteld. De omstandigheden waren bovendien niet altijd gunstig. De aangeleverde informatie vermeldt honger en ziekte als belangrijke problemen in het kamp. 

Toch probeerden de gevangenen een zekere vorm van normaliteit te creëren. Sport was daar een belangrijk onderdeel van.  

Voetbal als stukje België 

 In september 1916 poseert een Belgische voetbalploeg in Parchim voor de camera. De spelers dragen lichte voetbalshirts waarop een stervormig embleem zichtbaar is. Rond hen staan andere krijgsgevangenen en enkele militairen. De belangstelling voor het voetbal lijkt groot. 

Het beeld vertelt daardoor meer dan alleen het verhaal van een wedstrijd. Voetbal bracht de gevangenen samen en bood hen voor even een ontsnapping aan het monotone en vaak moeilijke kampleven. Op de achterkant van de foto staat een duidelijke datering: 

„Kriegsgefangenen-Sendung – den 27-9-16” 


De foto werd dus als krijgsgevangenenpost verstuurd. De naam 'Angenot', de achternaam van de verzender, is eveneens op de achterkant terug te vinden. Daarmee krijgt het beeld nog een persoonlijk karakter: iemand die ver van huis gevangen zat, stuurde een tastbare herinnering naar België.

Parchim als kleine stad achter prikkeldraad 

Het kamp ontwikkelde zich in de loop van de oorlog tot een gemeenschap met eigen infrastructuur. Er waren barakken, keukens, werkplaatsen en winkels. Er waren zelfs twee veldhospitalen: een katholiek en een Russisch-orthodox. 

Ook religie kreeg een plaats in het kamp. Volgens de aangeleverde informatie waren er onder meer een katholieke en een Russisch-orthodoxe kerk. 

Bijzonder is ook dat de krijgsgevangenen zelf mee vormgaven aan hun omgeving. Zo bouwden Belgische gevangenen in 1916 een van de kerken en werden op de begraafplaats van het kamp later honderden overleden gevangenen begraven. 

Het kamp was daarmee veel meer dan een verzameling barakken. Er ontstond een samenleving met eigen gewoonten, verenigingen, ontspanning en sport.

Wat gebeurde er met de gevangenen? 

De oorlog duurde voor de mannen op deze foto nog ruim twee jaar. Zij zouden niet in Parchim blijven tot het einde. De geschiedenis van het kamp vermeldt verschillende overplaatsingen van gevangenen naar andere kampen en werklocaties. 

Ook na de oorlog bleef Parchim een plaats die herinnerde aan de enorme menselijke tol van de krijgsgevangenschap. Op de begraafplaats van het kamp werden na de oorlog meer dan duizend overledenen herdacht; volgens de aangeleverde informatie gaat het onder meer om 1.402 doden.

Een voetbalfoto met een verhaal 

We zien geen spectaculaire wedstrijd, geen bekende international en geen grote voetbaltempel. We zien een groep jonge mannen die in uitzonderlijke omstandigheden toch voetbal probeerden te spelen. 

Terwijl de Eerste Wereldoorlog in volle hevigheid woedde, stonden deze Belgische soldaten in Parchim samen op de foto met een voetbal aan hun voeten.

 Achter hen: een kamp met duizenden krijgsgevangenen. Voor hen: nog meer dan twee jaar oorlog. En tussen beide in: een voetbalwedstrijd, een stukje normaliteit en misschien voor even het gevoel van thuis. 

Dat maakt deze kleine foto uit 1916 voor mij tot een bijzonder stuk Belgisch voetbalerfgoed uit de Groote Oorlog.






vrijdag 14 augustus 2026

29 augustus 1926
100 jaar voetbalgeschiedenis:
De iconische hoofdtribune van Union Saint-Gilloise

       

Op 29 augustus 1926 werd de nieuwe hoofdtribune van Union Saint-Gilloise officieel ingehuldigd. Honderd jaar later staat ze nog altijd in het Dudenpark. Een monument dat niet alleen naar de geschiedenis kijkt, maar er nog elke dag deel van uitmaakt. 

© Nico Dewaele

Er zijn voetbalstadions waar je naar binnen gaat om een wedstrijd te bekijken. En er zijn stadions waar je, nog voor de aftrap, even blijft stilstaan om naar het gebouw zelf te kijken. Het Joseph Marienstadion van Union Saint-Gilloise behoort tot die tweede categorie. De imposante hoofdtribune, met haar karakteristieke gevel, glas-in-loodramen en sculpturen, is één van de meest bijzondere overblijfselen uit de gouden periode van het Belgische voetbal. Op 29 augustus 2026 is het precies honderd jaar geleden dat deze tribune officieel werd ingehuldigd. Honderd jaar, een eeuw waarin het voetbal volledig veranderde, maar waarin deze tribune bleef staan. 

Van La Butte naar een monument 

Het verhaal begint eigenlijk al in 1919. Union Saint-Gilloise, op dat moment één van de absolute grootmachten van het Belgische voetbal, had een nieuwe thuis gevonden in het Dudenpark in Vorst. Op 14 september 1919 werd het stadion officieel in gebruik genomen. Het kreeg de naam Stade de la Butte, naar de heuvelachtige omgeving waarin het werd aangelegd. De officiële opening was meteen een gebeurtenis van formaat: het grote Milan FC, het latere AC Milan, kwam naar Brussel voor een galawedstrijd tegen Union. De thuisploeg won met 3-2. 

La Butte bij de opening in 1919
Foto: Le Patriot Illustré (21 sept. 1919)

Een jaar later kreeg het stadion opnieuw een historische rol. Tijdens de Olympische Spelen van 1920 werden er drie wedstrijden van het voetbaltoernooi gespeeld. Ook de eerste officiële wedstrijd van de Spaanse nationale ploeg vond hier plaats. Het Dudenpark was daarmee al vroeg een belangrijke plaats op de Belgische en internationale voetbalkaart. Maar het stadion dat we vandaag kennen, moest nog worden gebouwd. 

Een tribune die er bijna nooit kwam 

Begin jaren twintig kwam de toekomst van Union in het Dudenpark plots in gevaar. De gemeente Vorst wilde op de plaats van het stadion een nieuw gemeentehuis bouwen. Voor Union dreigde een onteigening en het verdwijnen van zijn thuishaven. Er kwam protest van supporters en inwoners. Uiteindelijk mengde ook de Belgische voetbalbond zich in de discussie. De plannen werden afgevoerd en Union kon in het Dudenpark blijven. Achteraf bekeken was dat een bijzonder belangrijk moment. Want zonder die strijd zou de monumentale tribune die we vandaag kennen er nooit hebben gestaan. 

Joseph Marien heeft grootse plannen 

De man die de toekomst van Union vervolgens mee vormgaf, was Joseph Marien. De steenrijke voorzitter wilde  zijn club een accommodatie geven die bij haar ambities paste. Het stadion werd daarom grondig uitgebreid en vernieuwd. De nieuwe installaties werden ontworpen door architect Albert Callewaert. Het meest opvallende onderdeel was uiteraard de nieuwe hoofdtribune. De gevel kreeg een lengte van ongeveer 110 meter en werd uitgevoerd in een combinatie van rode en witte baksteen. Onder de tribune kwamen grote glas-in-loodramen, waarin onder meer het clublogo werd verwerkt. Maar Callewaert en Marien wilden duidelijk meer dan alleen een praktische tribune. De gevel kreeg een uitgesproken architecturale uitstraling. 

foto: website Arichviris.be

Voetbal en atletiek in steen gebeiteld 

Een bijzonder onderdeel van de tribune zijn de decoratieve panelen in de gevel. De Brusselse beeldhouwer Oscar De Clerck ontwierp zeven panelen met verwijzingen naar voetbal en atletiek. Dat was geen toevallige keuze. Union was in die periode immers niet alleen een succesvolle voetbalclub. Ook de atletiekafdeling speelde een belangrijke rol binnen de vereniging. De twee sporten werden daarom letterlijk onderdeel van de architectuur van het stadion. Wie vandaag naar de gevel kijkt, ziet dus niet zomaar decoratie. De beelden vertellen iets over de sportcultuur van Union in de jaren twintig. Dat maakt de tribune zo bijzonder: het gebouw vertelt zelf het verhaal van de club. 

© Nico Dewaele

110 dagen 

De snelheid waarmee de nieuwe tribune werd gerealiseerd, was voor die tijd indrukwekkend. In de verslaggeving rond de inhuldiging wordt vermeld dat de werkzaamheden in ongeveer 110 dagen werden uitgevoerd. De tribune bood plaats aan ongeveer 4.500 toeschouwers, met zo'n 3.000 zitplaatsen en 1.500 staanplaatsen. Maar het bouwwerk was veel meer dan een verzameling zitplaatsen. Onder de tribune werden verschillende ruimtes ingericht: kleedkamers, een lokaal voor de scheidsrechters, een grote vergaderzaal voor de clubleden, een secretariaat en een café. Ook waren er verschillende doorgangen en voorzieningen die de spelers rechtstreeks naar het veld brachten. Voor een voetbalstadion uit 1926 was dat bijzonder vooruitstrevend. 

De bestuurskamer ademt ook nu nog steeds de sfeer van de Jaren '20 uit.
© Nico Dewaele

29 augustus 1926 

En dan was het zover. Zondag 29 augustus 1926. De nieuwe installaties van Union Saint-Gilloise werden officieel ingehuldigd. De plechtigheid kreeg meteen een koninklijk tintje. Prins Karel was aanwezig en werd door de Union-bestuurders en andere prominenten ontvangen. Het werd geen gewone voetbalnamiddag, maar een volledige sportmanifestatie. Op het programma stonden verschillende atletiekwedstrijden, waaronder loopnummers, estafettes en speerwerpen. Daarna volgde het voetbalduel tussen Union Saint-Gilloise en Dordrechtse F.C. De historische krant beschrijft hoe de prins in de eretribune werd ontvangen en hoe duizenden toeschouwers de nieuwe accommodatie kwamen bewonderen. De nieuwe tribune moest duidelijk indruk maken. En dat deed ze.

links: Omringd door de bestuurders van Union en de gemeentelijke vertegenwoordigers van Sint-Gillis beantwoordt de prins het applaus waarmee hij werd begroet bij zijn aankomst in de nieuwe accommodatie van de club uit Sint-Gillis, onder de bomen van het Dudenpark.

rechts: Een wedstrijd tussen Union Saint-Gilloise en de Dordrecht Football Club (Nederland) vormde het hoogtepunt van de inhuldiging van de nieuwe tribunes. Prins Karel had zijn marine-uniform ingeruild voor dat van onderluitenant bij de gidsen en kreeg de eer om de aftrap te geven. De Nederlanders wonnen de wedstrijd met.

Foto's: Le Patriot Illustré (5 sept. 1926)

Een stadion voor tienduizenden 

De hoofdtribune was slechts één onderdeel van de enorme uitbreiding. Rond het veld lagen grote staanplaatsen. De totale capaciteit van het stadion werd in die periode opgevoerd tot ongeveer 35.000 toeschouwers. Dat cijfer zegt veel over de plaats die Union toen innam in het Belgische voetbal. Een wedstrijd in het Dudenpark kon een enorme massa op de been brengen. Het stadion was ontworpen voor een tijd waarin tienduizenden supporters naar een voetbalwedstrijd kwamen en waarin staanplaatsen rond het veld nog de norm waren. De hoofdtribune vormde het statige middelpunt van dat geheel. Een indrukwekkend bouwwerk dat niet alleen plaats bood aan supporters, maar ook het prestige van Union moest uitstralen.

Het stadion in de jaren '30 van vorige eeuw
Foto: Miroir des Sports

De naam Joseph Marien 

De tribune werd gebouwd onder impuls van voorzitter Joseph Marien. Ironisch genoeg zou hij zelf niet lang genoeg leven om de grootste successen mee te maken die zijn stadion later zou kennen. Op 19 februari 1933 overleed Marien na een hartaanval op de dag van de derby tegen Daring. Later dat jaar werd het stadion naar hem genoemd. Vanaf dan werd Stade de la Butte het Joseph Marienstadion. De naam bleef. En de tribune bleef eveneens staan.

Joseph Mariën was niet alleen voorzitter van Union, maar ook een gedrevenlangeafstandsloper en veldloper. In 1925 werd hij Belgisch kampioen op de 10.000 meter en in 1928 nam hij deel aan de Olympische Spelen in Amsterdam.
foto: Collectie Nico Dewaele

Een stille getuige van de geschiedenis 

Dat is misschien wel het mooiste aan deze plek. De tribune heeft sindsdien een eeuw voetbalgeschiedenis meegemaakt. Ze zag de grote successen van Union. Ze zag de legendarische periode van Union '60, toen de club tussen 1933 en 1935 zestig wedstrijden op rij ongeslagen bleef. Ze zag generaties spelers en supporters komen en gaan. Ze zag het Belgische voetbal veranderen van een amateuristische sport tot een professionele miljoenenbusiness. En toch staat ze er nog altijd.

Beschermd erfgoed 

De bijzondere historische waarde van de hoofdtribune werd uiteindelijk ook officieel erkend. In 2010 werd het Joseph Marienstadion als monument beschermd. Dat betekent dat niet zomaar alles kan worden verbouwd, verwijderd of aangepast. De historische structuur en de architecturale elementen moeten zoveel mogelijk behouden blijven. En dat levert soms merkwaardige situaties op. Dat bleek nog maar vorig jaar, toen Union in de kleedkamers een ijsbad wilde installeren. Een ijsbad is natuurlijk een moderne voorziening die perfect past binnen de hedendaagse topsport, maar het gebouw zelf trekt een duidelijke grens. Om het bad op de gewenste plaats te krijgen, moest het houten beslag van de deur naar de ruimte worden verwijderd. Dat was noodzakelijk om het bad binnen te kunnen brengen, maar tegelijk moest ervoor worden gezorgd dat de historische elementen van het gebouw niet verloren gingen. Het is misschien maar een klein detail. Maar het vertelt eigenlijk een prachtig verhaal. Een hypermodern ijsbad van de 21ste eeuw dat rekening moet houden met een historische deur uit 1926. Precies daarin komt de bijzondere situatie van het Joseph Marienstadion mooi tot uiting. Hier moeten verleden en heden letterlijk met elkaar samenwerken. De spelers van vandaag trainen er met moderne technologie en moderne voorzieningen, terwijl de muren, deuren en tribunes hen herinneren aan een tijd waarin het voetbal er totaal anders uitzag.

© Nico Dewaele

Een monument dat nog altijd leeft 

Veel historische voetbalstadions bestaan vandaag alleen nog op foto's. Andere werden volledig verbouwd, zodat van de oorspronkelijke accommodatie nauwelijks iets overblijft. In het Joseph Marienstadion is dat anders. Hier staat de hoofdtribune nog altijd op dezelfde plaats. Nog altijd langs hetzelfde veld. Nog altijd onderdeel van een voetbalstadion. Dat maakt haar uniek. Het is niet zomaar een monument waar je naar kunt kijken. Het is een monument waarin nog altijd voetbal wordt gespeeld. Voor mij is dit misschien wel de mooiste manier waarop een gebouw zijn geschiedenis kan bewaren.

© Nico Dewaele

Honderd jaar 

Op 29 augustus 2026 is het precies honderd jaar geleden dat Prins Karel in het Dudenpark aanwezig was voor de officiële inhuldiging van de nieuwe installaties van Union Saint-Gilloise. Wat toen een splinternieuwe, moderne tribune was, is vandaag een beschermd stukje Belgisch voetbalerfgoed. Een eeuw later staan de stenen van de gevel nog steeds op elkaar. De glas-in-loodramen herinneren nog altijd aan Union. De sculpturen van Oscar De Clerck vertellen nog altijd hun verhaal over voetbal en atletiek. En boven het veld staat nog steeds de tribune die in 1926 zoveel indruk maakte. Honderd jaar oud. Honderd jaar voetbal. En nog altijd geen museumstuk. Misschien is dat wel het mooiste aan de historische hoofdtribune van Union Saint-Gilloise. Ze bewaart het verleden, maar ze leeft nog altijd in het heden. En zolang er op het veld onder die honderdjarige tribune nog gevoetbald wordt, blijft dit bijzondere stukje Belgische voetbalgeschiedenis ook echt onderdeel van het voetbal zelf.

© Nico Dewaele

De charme van toen, de noden van vandaag 

Hoe graag supporters en erfgoedliefhebbers de historische hoofdtribune ook zien, het Joseph Marienstadion heeft één groot probleem: het is niet meer aangepast aan de eisen van het moderne profvoetbal. Dat wordt misschien nergens duidelijker dan in de kleine perszaal onder de tribune.

© Nico Dewaele

 Waar journalisten vandaag met laptops proberen verslag uit te brengen van wedstrijden, zitten ze letterlijk in een ruimte die nauwelijks nog te vergelijken is met de moderne persfaciliteiten van een hedendaags profstadion. Ook voor supporters is de infrastructuur beperkt. Volgens Union zijn er te weinig ruimtes voor pers- en vip-ontvangst en ontbreken er geschikte verzamelruimtes voor veiligheids- en medisch personeel op wedstrijddagen. En het probleem gaat verder dan alleen de kleine ruimtes. De historische hoofdtribune is beschermd en daardoor kan de gevel niet zomaar worden aangepast. Ook het omliggende Dudenpark is beschermd, waardoor een uitbreiding van het stadion evenmin vanzelfsprekend is. Een studie van perspective.brussels concludeerde bovendien dat een verbouwing of uitbreiding van het huidige stadion niet haalbaar is. Union kijkt daarom naar de bouw van een nieuw, modern en ecologisch stadion in Vorst met bijna 16.000 plaatsen, dat moet voldoen aan de Belgische en Europese veiligheidsnormen. De tribune die in 1926 een toonbeeld van moderniteit was, is vandaag zelf een monument geworden. Precies daarom moeten verleden en toekomst naast elkaar blijven bestaan. Het Joseph Marienstadion verdient het om bewaard te blijven als uniek stukje voetbalerfgoed. Maar Union heeft ook een stadion nodig waarin het voetbal van de 21ste eeuw kan worden gespeeld. Misschien vat de piepkleine perszaal dat dilemma wel perfect samen: veel geschiedenis, veel karakter, maar simpelweg te weinig ruimte voor de toekomst.

De steile weg terug uit het perszaaltje
© Nico Dewaele

1926 – 2026 

Wanneer je foto's van de tribune uit 1926 naast foto's van vandaag legt, valt vooral op hoe sterk haar oorspronkelijke karakter bewaard is gebleven. 

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele

Collectie Nico Dewaele

© Nico Dewaele








zaterdag 3 januari 2026

zaterdag 6 januari 1906
Corinthians - België 12-0
De Nationale ploeg steekt voor het eerst het kanaal over

       

Op donderdagavond 4 januari 1906 begon voor de Belgische nationale voetbalploeg een avontuur dat zijn gelijke niet kende. Voor het eerst trok ons nationale elftal het Kanaal over, op weg naar Engeland. Het startschot van die historische reis klonk niet in een stadion, maar in het Noordstation van Brussel. Elf spelers, vergezeld door twee bondsafgevaardigden, stapten er op de trein richting Antwerpen. Daar wachtte de boot naar Harwich. De kortere overtocht Oostende–Dover werd links gelaten, simpelweg omdat de route via Antwerpen een stuk goedkoper uitviel. 

Krantenartikel uit Het Handelsblad van 5 januari 1906

Rond acht uur ’s avonds werd het anker gelicht. Terwijl het schip nog rustig over de Schelde gleed, schoven de spelers aan voor een stevig avondmaal. Niemand kon toen vermoeden dat die maaltijd geen lang leven beschoren was. Debutant Hector Goetinck van FC Brugge beschreef de overtocht later kleurrijk in zijn memoires Voetbalanekdoten. Toen het schip het zeegat naderde, maakten acht Brusselaars, drie Bruggelingen en twee comitéleden zich klaar om hun kooien op te zoeken. Tot aan Vlissingen verliep alles nog probleemloos; daar nam de boot een loods aan boord. 

de drie Bruggelingen Hector Goetinck, Charles Cambier en Robert Deveen
© Stadsarchief Brugge

Goetinck, die zich een man van de zee waande, stelde Charles Cambier gerust. “Ga jij maar onderaan liggen,” zei hij, “ik kruip wel boven je. Met die storm zal de zee onstuimig zijn. Als je zeeziek wordt, ben je beneden beter af voor… de klassieke pot.” Nauwelijks enkele minuten later bevond het schip zich op volle zee en werden de mannen heen en weer geslingerd als een kaatsbal. Het avondmaal kwam sneller terug dan gewenst. Ironisch genoeg was Goetinck zelf de eerste die bezweek. Zijn zorgvuldig verteerde souper belandde prompt in de nek van Cambier, wiens krullen net boven de rand van het bed uitstaken. “Zijt gij die zeeman?” klonk het boos. Niet veel later lagen ook de Bruggelingen kreunend en klagend ten prooi aan de zeeziekte. 

Om vijf uur ’s ochtends kwamen de vertegenwoordigers van de Belgische kleuren lijkbleek aan in Harwich. Vandaar ging het per trein naar Londen, waar ze nog enkele uren rust hoopten te vinden. Van echt herstel was echter geen sprake: de magen bleven rebelleren. ’s Middags kreeg niemand een hap door de keel, en toch wachtte hen diezelfde dag een ontmoeting met de Corinthians, op dat moment het beste amateurelftal van Engeland. Het werd een harde les. België ging met 12-0 onderuit, al hield doelman Marcel Frey de score met enkele knappe reddingen nog enigszins binnen de perken. 

Toch keek Hector Goetinck niet met schaamte, maar met leergierigheid terug op die wedstrijd. Hij raakte naar eigen zeggen amper vijf keer de bal, maar zag iets wat hem zijn hele carrière zou bijblijven. De Engelse linksbuiten passeerde rechtsachter Andrieu telkens met een kinderlijk eenvoudige beweging. “Zodra onze back naar hem toestapte,” schreef Goetinck, “tikte hij de bal voorbij hem en draaide erlangs met een lichte schijnbeweging.” Dat simpele voorbijsnellen werd een handelsmerk van Goetinck zelf. Niet voor niets kreeg ‘de Brugse Gazelle’ die bijnaam: snelheid had hij in overvloed. 

Met een koffer vol tegendoelpunten keerden de Rode Duivels huiswaarts, trots waren ze allerminst. Maar volgens Goetinck wist zijn clubgenoot Robert Deveen het verhaal in Brugge steevast zo te brengen dat het alsnog op een eervolle nederlaag leek. In het café van Charles Cambier, met een grote pot bruin bier voor zich, deed Deveen zijn relaas voor een twintigtal luisteraars met open mond. Hij vertelde hoe de Engelsen met de bal goochelden, hoe de midvoor de bal tegen de winkelhaak joeg met zo’n kracht dat er vonken vanaf sprongen, want lat en paal waren volgens hem met ijzeren platen verstevigd. En dat ene schot, was zo hard dat de bal de vorm van een ei van kreeg. “Berten kon liegen dat hij het zelf geloofde,” besloot Goetinck droogjes. 

In 1923 zou Hector Goetinck nog één keer tegen Engeland aantreden, ditmaal tegen profspelers. Op 1 november, bij de inhuldiging van het Antwerpse stadion, eindigde de wedstrijd op 2-2. In een tijdperk waarin er amper twee of drie interlands per jaar werden gespeeld en Brusselaars vaak een streepje voor hadden, kwam Goetinck toch aan zeventien caps voor de nationale ploeg, en dat ondanks de onderbreking door de Eerste Wereldoorlog. 

Wie nog meer van dit soort anekdoten wil ontdekken over Hector Goetinck en de prille jaren van onze nationale sport nummer één, vindt ze terug in het prachtige boek 'Het bewogen levensverhaal van Hector Goetinck', geschreven door Raf Willems en Stephan Verfaillie, de achterkleinzoon van ‘Torten’ Goetinck.


29 oktober 1911 Een kapotte koets, vliegende stenen en een oude voetbalvete Cercle Sportif Brugeois - Union Saint-Gilloise ...